Hartslagvariabiliteit, bloedsuikerwaarden, zweetproductie… de lijst met dingen die je in het fietsen kunt meten is indrukwekkend – en uitputtend. Het roept de vraag op: als het om technologie gaat, kun je dan te veel van het goede hebben?
Sporttechnologie maakt een ongekende groei door. Waar baanbrekende innovaties ooit het exclusieve domein waren van teams met grote budgetten, hebben wij nu allemaal toegang tot prestatiegegevens via onze smartwatches en fietscomputers. Het is big business, waarbij alleen al de markt voor draagbare technologie geschat wordt op 81 miljard euro in 2025, met een verwachte groei tot 98 miljard euro in 2030.
Objectieve data zorgen ervoor dat je de juiste trainings- en levensstijlbeslissingen neemt voor maximale fietssnelheid. Tenminste, in theorie – maar is dat ook de realiteit? Wees eerlijk: werd je laatste techaankoop meer door je gevoel of door je verstand ingegeven? Laten we onderzoeken of al deze technologie je prestaties daadwerkelijk helpt of juist belemmert…
Wel of geen tech
Johann Windt is de senior director analytics, insights en research bij het Canadese voetbalteam Vancouver Whitecaps FC. Hij is doctor in de experimentele geneeskunde en heeft bijzondere interesse in het gebruik van data in de sport en de bruikbaarheid ervan. In 2020 was hij co-auteur van het artikel To Tech or Not to Tech? A Critical Decision-Making Framework for Implementing Technology in Sport in het Journal of Athletic Training. Hierin bespraken Windt en zijn team de visie en de valkuilen achter de rol van technologie in de sport.
“Het artikel kwam voort uit een lezing die ik gaf op het World Physiotherapy Congress”, zegt Windt. “Op het congres, zoals bij de meeste conferenties, loop je door de gangen en ze staan dan vol met technologieën en fabrikanten die hun waar verkopen. Er zijn zoveel opties. Teams en individuen zien dat anderen deze nieuwe technologieën kopen en doen hetzelfde. ‘Heb je gps?’ kun je vragen. ‘Natuurlijk’, antwoorden ze. ‘Wat ga je doen met de gps?’ is je volgende vraag. ‘We weten het niet’, geven ze toe. Je hebt de technologie simpelweg niet nodig als je niet weet wat je ermee moet doen.

“Het zette ons aan het denken over het proces dat sporters doorlopen bij het kopen van nieuwe apparatuur. Met de enorme groei van het aanbod kun je simpelweg niet alles kopen, dus hoe maak je
onderscheid tussen concurrerende producten in dezelfde categorie? Of, wanneer er bijvoorbeeld vijf verschillende producten in vijf verschillende categorieën zijn en je slechts een beperkt budget hebt, welke kies je dan?”
Om die vraag te beantwoorden creëerden Windt en zijn team een handig vierpuntenkader waarmee gebruikers kunnen beslissen aan welk volgende ‘levensveranderend’ stuk technologie ze hun zuurverdiende geld gaan uitgeven. Als de informatie je prestaties verbetert, je deze kunt vertrouwen, je het kunt integreren met andere gegevensbronnen en het gemakkelijk te implementeren is, blijft alleen nog de vraag over of het de kosten waard is. Zou je de hypotheek op je huis verhogen voor een reeks windtunnelsessies? Is die kosten/baten-analyse positief, terwijl je misschien vijf kilo te zwaar bent voor je racegewicht en twee keer per week fietst? Waarschijnlijk niet.
Averechts effect
Armagan Karahanoglu is een designonderzoeker die werkt aan mensgerichte, persoonlijke gezondheidstechnologie aan de Universiteit Twente. Ze is gefascineerd door de wisselwerking tussen sporters en technologie. Karahanoglu weet dat technologie en data een grote motivatie kunnen zijn voor sporters, maar ze heeft ook de keerzijde onderzocht.
“Wij hebben geconstateerd dat data je inspanningen kunnen ondermijnen, omdat ze je iets vertellen dat je niet wilt horen of weten, zoals dat je slechter presteert dan een week geleden of langzamer fietst dan het jaar daarvoor. Dit kan vooral het geval zijn in je veertiger jaren, wanneer – ondanks je beste inspanningen – datapunten zoals VO2max en hersteltijd negatief beïnvloed worden vergeleken met je jongere jaren. Vanuit een prestatieperspectief kan het nuttig zijn om te zien, maar vanuit een psychologisch perspectief kan wat er op het scherm van een sporter verschijnt het tegenovergestelde effect hebben. Het kan je motivatie om zeep brengen.”

En dat is cruciaal, volgens Karahanoglu, die onderzoek heeft gedaan naar sport, technologie en motivatie, specifiek de zelfdeterminatietheorie. Dit raamwerk identificeert de psychologische behoeften die motivatie aansturen. Deze zijn: autonomie – het gevoel dat je controle hebt over je eigen acties; competentie – het gevoel dat je bekwaam bent en goed bent in wat je doet; en ver bondenheid – het gevoel dat je door je acties verbonden bent met anderen.
“De theorie zegt dat wanneer we aan al deze psychologische behoeften voldoen, we intrinsiek gemotiveerd zijn”, zegt Karahanoglu. “Als we dat niet zijn, als aan deze behoeften niet is voldaan, kunnen we bepalen welke behoefte niet is vervuld en proberen om extrinsieke motivatie (iets doen voor een externe beloning) om te zetten naar intrinsieke motivatie. Wij dachten dat data hierbij konden helpen. Maar de resultaten waren wisselvallig.”
Karahanoglu zegt dat fietsers – zeker toegewijde wielrenners – vaak intrinsiek gemotiveerd zijn omdat ze gepassioneerd zijn over wat ze doen. Technologie kan echter de autonomie en competentie van een renner ondermijnen als ze te geobsedeerd raken door data en het behalen van bepaalde cijfers. Dit is een externe klap die vervolgens de intrinsieke motivatie van een renner raakt, waardoor zijn of haar zin om te fietsen afneemt.
Dan zijn er degenen die zo’n fascinatie hebben voor technologie dat hun trainingshulpmiddelen dominant worden. “In een studie die we deden met baanlopers, vertelde een coach ons een verhaal over een 22-jarige atleet die hij coachte”, zegt Karahanoglu. “De coach merkte dat de atleet voortdurend zijn data checkte en niet opging in zijn prestatie. Dus gaf de coach hem de opdracht om twee maanden zijn horloge niet te gebruiken zodat hij zich meer kon concentreren op hoe hij zich voelde. Uiteindelijk voelde de loper zich bevrijd en boekte hij aanzienlijke progressie.”
Gebalanceerd gebruik
Johann Windt vertelt een soortgelijk verhaal. “Matt Jordan, een van de beste spierfysiologen, vertelde me over een olympische atleet die hij coachte. Op de ochtend van een belangrijke wedstrijd zag de atleet er gedesillusioneerd uit. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Matt. ‘Het wordt een rampzalige dag’, antwoordde de atleet. ‘Waarom?’ vroeg Matt. ‘Omdat mijn Whoop-score (fitnesstracker) vreselijk is. Wat moet ik doen?’ Matt zei: ‘Je gaat je ontbijt eten, de warming-up doen en een verpletterende prestatie neerzetten.’ En dat deed hij. Als het gaat om technologie en sport, draait het voor de meeste mensen om balans.”
Armagan Karahanoglu stelt dat een gebalanceerd gebruik van deze apparaten niet altijd technologie hoeft te bevatten die statistisch perfect is. “We hebben gekeken naar het gebied van afgeleide metingen”, zegt ze. “Dit is wanneer verschillende directe metingen samenkomen in een afgeleide meting, zoals je herstel of slaapscore, of trainingsbelasting. Interessant genoeg waren veel proefpersonen niet zo geïnteresseerd in de nauwkeurigheid van deze metingen, maar waardeerden ze de trends – of dingen nu omhoog of omlaag gingen. Velen zagen dit als een bevestiging: dat ze zich niet goed voelden en dat de trends dat weerspiegelden.”
Naar je lichaam luisteren
De belangrijkste boodschap hierbij is gevoel. Door te afhankelijk te worden van cijfers en data, ondermijn je niet alleen het plezier in het fietsen, maar mis je ook de kans om jezelf onder te dompelen in de subtiliteiten – de kleine details – van de hoogte- en dieptepunten van een rit. Onze wijze van leren, of het nu in sport of in het leven is, is impliciet in plaats van expliciet. Dit vindt plaats in de onbewuste delen van de hersenen, waaronder de basale ganglia, die vaak sneller en nauwkeuriger beslissingen kunnen nemen, maar deze processen kunnen afhankelijk zijn van gevoelens, intuïtie en onderbuikgevoel.
Fietsers vertrouwen enorm op dit impliciete leren – bijvoorbeeld de subtiliteiten van bochten, ruimtelijk bewustzijn op de weg, weten wanneer je het peloton voor je moet achtervolgen en wanneer je moet inhouden. Maar als je altijd gefocust bent op cijfers, ontwikkel je dit gevoel niet.

Het is iets waar fysioloog Mike Tipton zich steeds meer bewust van is geworden naarmate de jaren verstrijken. “Er zijn niet veel voor delen aan ouder worden, maar een daarvan is dat ervaring je leert om meer naar je lichaam te luisteren. Als je van tevoren pijn hebt, weet je dat je lichaam niet liegt en dat dit misschien een moment is om niet te rijden, wat je data ook zeggen. Het andere dat ik heb geleerd te ‘voelen’ is dat het begin van een rit of wedstrijd echt zwaar is, dus neem nooit een beslissing om te stoppen of door te gaan vóór minstens tien minuten. Het voelt gewoon zwaarder dan toen je twintig was. Maar er is een fysiologische reden voor: de snelheid waarmee je zuurstofsysteem op gang komt, is veel trager naarmate je ouder wordt. Het duurt even voordat je een steady state bereikt. Tot die tijd is het een strijd.”
Of dat leeftijdsgebonden gevoel goed wordt vastgelegd door de algoritmes van een trainingstool is
twijfelachtig. Hetzelfde geldt voor vrouwelijke fietsers, die moeten zich ervan bewust zijn dat de gegevens van trainingstools mogelijk gebaseerd zijn op algoritmes die voortkomen uit onderzoek naar de impact van training op mannen; de meeste sportwetenschappelijke studies zijn uitgevoerd met jonge mannelijke deelnemers.
In 2016 wees arts Anna Saw op de objectieve tekortkoming ten opzichte van het subjectieve. Zij ontdekte dat de waargenomen inspanning – hoe zwaar een activiteit aanvoelt, gemeten op subjectieve schalen zoals de RPE (rate of perceived exertion) – een nauwkeuriger voorspelling gaf van vermoeidheid bij inspanning dan de data die afkomstig waren van de technologie van dat moment. “Je weet of je die ochtend twee keer hebt overgegeven. Je computer weet dat niet”, zegt Windt. “Dat wil niet zeggen dat technologie geen plaats heeft. Maar als je slecht hebt geslapen, veel stress hebt en je uitgeput voelt, is hoe je je voelt een veel betere gids voor hoe hard je zou moeten fietsen dan welke Whoop-score ook.”
Voel de data
Wat betekent dit alles voor ons? Moeten we veel meer anti-tech zijn? Uiteindelijk is hoeveel technologie je gebruikt en hoe je die toepast een individuele keuze. Wat voor de ene persoon werkt, werkt mogelijk niet voor de andere. Een algemeen advies is om trainingshulpmiddelen te gebruiken voor sommige ritten, maar puur op gevoel te rijden tijdens andere. Zo breng je de empirische fysiologische winst met subtielere psychologische boosts in balans.
“Uiteindelijk wint technologie de race niet”, zegt Windt. “Techniek kan je helpen om efficiënt te trainen en je vermogen te monitoren voor pacing tijdens een evenement, maar het zijn je benen die de pedalen aandrijven. Je moet de mentale kracht hebben om door te zetten wanneer het zwaar is en je liever niet die rotheuvel op fietst. Wees verstandig met technologie en het kan je echt helpen. Maar vergeet niet dat jij degene bent die de controle heeft.”
