10 augustus 2021 | Janine Nöthlichs

‘In gesprek met de Ventoux’, Janine over haar beklimming van de Kale berg

Hij verschijnt uit het niets. Niet dat ik hem niet had verwacht. Sterker nog, hij is de reden dat ik hier naartoe ben gekomen. En terwijl er tot een minuut geleden niets behalve een glooiend landschap voor me lag, ligt daar nu een gigant van steen, een reusachtige berg. Zijn hoofd nog in het laatste toefje ochtendmist. Vriend of vijand? Ik rijd recht op hem af, mijn blik ferm op zijn top gevestigd, die maar niet uit de witte waas lijkt te komen.

‘Kom maar,’ zegt de Ventoux, met een diepe, rollende stem, zoals alleen een berg die kan hebben. ‘Ik zal je niets doen.’ Hij had me al zien aankomen. Een minuscuul figuur, een mier. Een van de duizenden, miljoenen, triljoenen. Hen die hier komen om hem te bedwingen.

Ik heb ze zien strijden. Heb ze zien vloeken, overgeven, vallen en juichen. Ik heb ze zien falen en zegevieren. Ik heb ze hun leven zien laten.’ Hij haalt diep adem een slaakt een zucht. Als de Ventoux zucht, dan vallen de bladeren van de bomen, ook al zijn ze nog jong en lichtgroen. Dan blaast zijn adem door alle steegjes en straten en door alle toppen van de bomen en alle velden die nog niet gemaaid zijn.

Als zijn zucht is gaan liggen, zegt hij: ‘Maar vertrouw me maar: Ík ben het niet die je moet bedwingen. Ik ben hier gewoon, zoals ik altijd ben geweest. In de storm en de regen. In de zon en de droogte. Je moet het zelf doen. Je moet jezelf bedwingen. Jouw hoofd zal je bovenbrengen of doen omdraaien. Je overmoed zal je doen stoppen, je waaghalzerij zal je doen vallen. Je kalmte zal je tot sucess helpen. Jij bent de sleutel.’ 

Gefascineerd luister ik naar zijn woorden terwijl ik met stugge halen tegen zijn adem in blijf fietsen. ‘Kom maar,’ suizelt hij weer. ‘Het gaat je lukken. Jouw hoofd is sterk, je benen zullen volgen.’ Ik ga nóg harder trappen. ‘Ik kom eraan,’ fluister ik, ‘Ik kom eraan…’

Pssssssssssst. Een sissend geluid rukt me brut uit mijn droomwereld. Lek. ‘Verdorie’, vloek ik zachtjes. Ik haal mijn voorwiel eruit en bekijk de schade. Een doorn heeft zich door mijn buitenband geboord. Ik leg een nieuwe binnenband op de velg. Nu de buitenband weer erover heen. Mijn handen lijken wel pudding. Ik maak geen kans tegen het stugge rubber. Ik besef dat ik mijn fietsmaatjes mis die mij een handje kunnen helpen.

Gelukkig ben ik op de Via Venaissia, een Veloroute waar je nooit lang alleen bent. Een vriendelijke groep Nederlandse Bikepackers vraagt of ze kunnen helpen. Dit aanbod neem ik graag aan. Binnen een paar minuten zit mijn band er weer op.

Ik fiets naar Bédoin. De berg zwijgt. Was het dan allemaal een droom?

In de luwte van het gezellige dorp begin ik aan de klim. Mijn hoofd dwaalt even terug naar het moment dat ik de Ventoux zag verschijnen. Ongelofelijk dat je er weer aan begint, zeg ik tegen mezelf. Het is warm. De steile hellingen knabbelen aan mijn kuiten. Het is mijn derde keer vanuit Bedoin, mijn vierde in totaal. Maar dat is jaren geleden.  De Ventoux trakteert mij vandaag op ezels, een kudde springende schaapjes, en een Fransman die ik tegen zijn vrouw hoor zeggen: ‘Kijk naar haar gezicht. Hoe ze haar hoofd houdt. Die denkt niet meer. Die trapt gewoon tot boven’. Ik moet glimlachen.

Bij Chalet Reynard spuugt het bos me uit op een maanlandschap. Hier wordt het vlakker. Minder steil. De Ventoux heeft het zwaar vandaag, want zijn zuchten blazen mij haast terug naar beneden. Ik heb het ook zwaar. Ik zie de rood-witte weertoren dichterbij komen. Bochtje wind mee, bochtje wind tegen. Het staat gelijk aan optimisme en totale wanhoop.

Boven laat ik mijn ogen over het uitzicht glijden. Adembenemend. En méér dan dat. Uniek.

Ik vraag een groep toeristen om de obligatoire foto te nemen van mij voor het Mont Ventoux bord. 1910 meter hoogte. Mijn billen trillen in de ijskoude wind. Ik stap in de auto. ‘Tot de volgende keer, gekke berg’, mompel ik. De berg blijft stil. Hij heeft gezegd wat hij moest zeggen. En hij heeft gelijk. Je moet het zelf doen. Je moet slim zijn en zuinig op je krachten. Je moet geloven in je benen maar jezelf niet overschatten. ‘Ik moet denk even ik een ijsje’, zeg ik in de auto. En mijn wens gaat in vervulling.

Gerelateerd

2 reacties op “‘In gesprek met de Ventoux’, Janine over haar beklimming van de Kale berg

  • Hallo Jans, ik kwam uit de richting van Orange/ Aubignan. Uit Bagnols-sur-Ceze om precies te zijn. Soms zie je hem dan tijdens het fietsen, en soms niet. Ik zou het onder de noemer van de ‘dichterlijke vrijheid’ willen scharen. Nog een kleine disclaimer: De berg praat waarschijnlijk ook niet in het echt. Sorry 🙂

  • ” Hij verschijnt uit het niets” Dan vraag ik me af waar je vandaan kwam. Ergens bij Jonquieres vandaan. Dan zie je hem heus wel liggen., Ik heb geen idee waar je anders naar gekeken hebt.

Geef een reactie

Inloggen